ECLI:NL:RVS:2025:2262

Raad van State

Datum uitspraak
22 mei 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
BRS.25.000485
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling

Appellant is bij besluit van 18 februari 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 22 april 2025 het beroep van appellant tegen het voortduren van deze maatregel ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep mogelijk is tegen het voortduren van de maatregel van bewaring zoals bedoeld in artikel 96 van Pro die wet.

De Afdeling constateert dat appellant geen gronden heeft aangevoerd die het verbod op hoger beroep doorbreken, zoals het ontbreken van een eerlijk proces. Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.

Uitspraak

BRS.25.000485
Datum uitspraak: 22 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 22 april 2025 in zaak nr. NL25.15574 in het geding tussen:
appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 22 april 2025 heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.Z. Sayin, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2.        Wat appellant in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
3.        De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2025
644-1111