ECLI:NL:RVS:2025:2310
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- A. Kuijer
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging bestuurlijke boete Wet kinderopvang na incidenteel onderzoek
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde aan [appellante], houder van meerdere kinderopvangverblijven, een schriftelijke aanwijzing en een bestuurlijke boete op wegens overtredingen van de Wet kinderopvang. Na bezwaar matigde het college de boete van €73.000,00 tot €65.500,00. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] gegrond en stelde de boete vast op €48.625,00.
In hoger beroep betoogde [appellante] dat de rechtbank geen deugdelijke evenredigheidstoets had toegepast en dat de boetes voor overtredingen van de beroepskracht-kindratio (BKR) op niet vastgestelde tijden vernietigd moesten worden vanwege een wetswijziging en het lex mitior-beginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de boetes voor de overtredingen op niet vastgestelde tijden terecht vervallen en matigde de boete met 15% vanwege overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de boete werd vastgesteld op €40.800,00.
De Afdeling bevestigde dat het college bevoegd was de boete op te leggen en dat de aangevoerde verzachtende omstandigheden niet tot verdere matiging leiden. Tevens veroordeelde de Afdeling het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak vervangt het vernietigde gedeelte van de uitspraak van de rechtbank en bevestigt de overige onderdelen.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €40.800,00 met matiging wegens overschrijding redelijke termijn en vervallen boetes voor bepaalde overtredingen.