ECLI:NL:RVS:2025:2358
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelanders
Bij besluit van 28 augustus 2023 bepaalde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat het recht op tijdelijke bescherming van betrokkene, op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, zou eindigen op 4 september 2023. Dit besluit werd op 13 februari 2024 ingetrokken, maar bij brief van 29 januari 2024 werd betrokkene meegedeeld dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024.
Betrokkene stelde beroep in tegen beide besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2023 niet-ontvankelijk en verklaarde het beroep tegen de brief van 29 januari 2024 gegrond, waarbij het bestuursrechtelijk rechtsoordeel werd vernietigd. De minister stelde hiertegen hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister bevoegd was om de tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024 en dat er geen aanwijzingen waren dat toezeggingen waren gedaan die een langere bescherming rechtvaardigden. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het het beroep tegen de brief van 29 januari 2024 gegrond verklaarde en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.