ECLI:NL:RVS:2025:2416
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM
Betrokkene, Nigeriaanse nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan op grond van artikel 8 EVRM Pro vanwege familie- en gezinsleven met zijn minderjarige halfbroer en halfzus met de Nederlandse nationaliteit. De staatssecretaris wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van hechte persoonlijke banden en beschermenswaardig familie- en gezinsleven, en gaf betrokkene de vergunning.
De minister ging in hoger beroep en stelde dat er geen hechte persoonlijke banden bestonden, mede omdat betrokkene pas in 2019 naar Nederland kwam, eerder asiel aanvroeg in Italië en niet samenwoonde met referenten die in pleeggezinnen verbleven. De minister vond dat emotionele steun en praktische hulp niet de gebruikelijke omgang overstijgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister zich deugdelijk heeft gemotiveerd en dat de rechtbank onvoldoende belang hechtte aan eerdere omstandigheden. De minister mocht concluderen dat er geen hechte persoonlijke banden zijn en hoefde geen belangenafweging te maken. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor de verblijfsvergunning wordt geweigerd.