ECLI:NL:RVS:2025:2496

Raad van State

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
202403939/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel en geloofwaardigheid van afvalligheid

In deze zaak heeft de Raad van State op 3 juni 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een appellant die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had aangevraagd. De aanvraag was op 9 mei 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. De rechtbank had op 20 juni 2024 het beroep van de appellant ongegrond verklaard. De appellant, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. De Raad van State heeft overwogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de geloofwaardigheid van de gestelde afvalligheid van de appellant niet heeft onderzocht. De Raad van State heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vernietigd. De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de appellant, die op € 2.721,00 zijn vastgesteld. De minister moet opnieuw beslissen op de aanvraag van de appellant, rekening houdend met de feiten en omstandigheden op dat moment.

Uitspraak

202403939/1/V2.
Datum uitspraak: 3 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 juni 2024 in zaak nr. NL24.20716 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat in Gouda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, heeft de Afdeling overwogen dat afvalligheid in het kader van die uitspraak betekent dat een vreemdeling zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, dat hij eerder heeft aangehangen of waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn. Ook een vreemdeling die nooit heeft geloofd in het geloof waarmee hij is opgegroeid, kan dus afvallig zijn of als afvallige worden gezien. Appellant betoogt daarom terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in dit geval de geloofwaardigheid van de gestelde afvalligheid dan wel toegedichte afvalligheid ten onrechte niet heeft onderzocht en beoordeeld. De eerste en de vierde grief slagen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 9 mei 2024. Omdat de minister opnieuw op de aanvraag moet beslissen en daarbij rekening moet houden met de feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in hoger beroep en beroep heeft aangevoerd te bespreken. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 juni 2024 in zaak nr. NL24.20716;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 9 mei 2024, V-[...];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2025
987