ECLI:NL:RVS:2025:2525
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding mijnbouwschade na overdracht woning
Appellant verkreeg op 1 oktober 2020 de eigendom van een woning in Groningen en vroeg kort daarna schadevergoeding aan voor mijnbouwschade. Voor het besluit op deze aanvraag verkocht appellant de woning op 24 december 2020 aan een bedrijf, dat de woning direct doorverkocht.
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen weigerde de schadevergoeding toe te kennen aan appellant omdat het recht op vergoeding bij de eigendomsoverdracht aan het bedrijf was overgedragen. De rechtbank bevestigde dit oordeel op basis van de koopovereenkomst en leveringsakte, waarin de overdracht van alle aanspraken op de woning was geregeld.
Appellant stelde dat hij het recht op schadevergoeding niet had overgedragen, onder meer omdat het bedrijf dit schriftelijk had bevestigd. De Raad van State oordeelde dat het Instituut terecht nader onderzoek deed en dat de verklaring van het bedrijf weinig gewicht heeft, mede omdat het bedrijf de woning snel doorverkocht zonder belang bij de vordering.
De Raad van State concludeerde dat de koopovereenkomst en leveringsakte duidelijk maken dat de aanspraak op schadevergoeding bij de overdracht is meegekomen. Ook de hogere verkoopprijs aan het bedrijf wijst erop dat de vordering is overgedragen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op schadevergoeding omdat het recht op vergoeding is overgedragen bij de verkoop van de woning.