ECLI:NL:RVS:2023:2590
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en toepassingsvragen over schadevergoeding bij overdracht woning onder Tijdelijke wet Groningen
Deze zaak betreft prejudiciële vragen gesteld door de Rechtbank Noord-Nederland aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepassing van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG).
Eiser verkocht zijn woning aan derde-partijen en diende vóór de levering een aanvraag in bij het IMG voor vergoeding van fysieke schade veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Het IMG kende aanvankelijk een vergoeding toe, maar trok dit besluit later in en wees de aanvraag af, omdat het meende dat de vordering tot schadevergoeding was overgedragen aan de nieuwe eigenaren. Zowel eiser als de kopers menen recht te hebben op de vergoeding.
De prejudiciële vragen betreffen onder meer de bevoegdheid van het IMG om besluiten in te trekken, het peilmoment voor het vaststellen van het recht op schadevergoeding, de uitleg van standaardbedingen in koopovereenkomsten en leveringsakten over overdracht van aanspraken, en de omvang van de onderzoeksplicht van het IMG bij overdracht van onroerend goed.
De conclusie van de advocaat-generaal behandelt uitvoerig het bestuursrechtelijke kader, de civielrechtelijke regels over cessie van vorderingen, de uitleg van de relevante modelbedingen in de koopakte en leveringsakte, en de bijzondere positie van het IMG als zelfstandig bestuursorgaan met een publieke taak. De conclusie benadrukt dat het IMG bevoegd is om onjuiste besluiten in te trekken onder voorwaarden, dat het peilmoment voor beoordeling het moment van het besluit is, dat overdracht van de aanspraak op schadevergoeding niet automatisch met het onroerend goed overgaat maar afhankelijk is van cessie en mededeling daarvan, en dat de uitleg van standaardbedingen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.
De conclusie wijst op het belang van nader onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zoals de kennis van partijen over de schade en afspraken daarover, en benadrukt dat de civielrechtelijke regels over cessie van toepassing zijn, maar dat het IMG als bestuursorgaan ook een onderzoeksplicht heeft om te zorgen dat de schadevergoeding terechtkomt bij de juiste rechthebbende.
De conclusie adviseert om de prejudiciële vragen te beantwoorden zonder doorzending naar de Hoge Raad, omdat het civielrechtelijke kader duidelijk is, en geeft concrete antwoorden op de gestelde vragen, waarbij het onderscheid tussen civielrechtelijke en bestuursrechtelijke aspecten wordt gemaakt.
Uitkomst: Het IMG is bevoegd besluiten in te trekken onder voorwaarden, het peilmoment is het moment van besluit, overdracht van aanspraken vereist cessie en mededeling, en het IMG heeft een onderzoeksplicht om de juiste rechthebbende vast te stellen.