ECLI:NL:RVS:2025:2538
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke last onder dwangsom voor gevaarzetting scheepselevator niet gegrond verklaard
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde op 23 februari 2021 aan de eigenaar van een gemeentelijk monument, de scheepselevator langs het Merwedekanaal, een last onder dwangsom op om een gevaarlijke gebruikerssituatie te beëindigen. Het gevaar bestond uit jongeren die op de scheepselevator klommen en eraf sprongen, wat volgens het college een overtreding van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 vormde.
De rechtbank verklaarde het beroep van de eigenaar gegrond en vernietigde het besluit, omdat de scheepselevator zelf niet in een gevaarlijke staat verkeerde. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde echter het oordeel van de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit restrictief moet worden uitgelegd en dat het gevaar niet voortkomt uit de staat van het bouwwerk zelf, maar uit het gedrag van onbevoegden.
De Afdeling stelde vast dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake was van een overtreding en dat het opleggen van een last onder dwangsom niet gerechtvaardigd was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de wederpartij.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en het besluit tot last onder dwangsom wordt bevestigd als onrechtmatig.