ECLI:NL:RVS:2025:2722
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- M. Soffers
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing omzettingsvergunning woningvorming Amsterdam
Appellant A vroeg op 23 maart 2020 een omzettingsvergunning aan voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte naar zes onzelfstandige woonruimten in Amsterdam. Het college verleende deze vergunning op 9 juli 2020, maar na bezwaar van appellant B wijzigde het college het besluit op 25 mei 2021. De rechtbank vernietigde dit besluit op 23 januari 2023 en herroept de vergunning, omdat het college de criteria voor woningvorming niet had betrokken en de nieuwe woonruimten onzelfstandig zijn, wat niet is toegestaan volgens de Huisvestingsverordening 2020.
Het college verleende later op 21 april 2023 een nieuwe omzettingsvergunning op basis van een nieuwe aanvraag, maar deze valt buiten het bestreden besluit en is niet onderwerp van hoger beroep. Het college stelde incidenteel hoger beroep in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het feit dat het geen incidenteel maar principaal hoger beroep betrof.
Appellant A voerde aan dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van de vernietigde vergunning niet in stand hield en dat de gewijzigde Huisvestingsverordening vanaf 2022 terugwerkende kracht zou hebben. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht uitging van de op dat moment geldende Huisvestingsverordening en dat de vergunningplicht voor woningvorming van onzelfstandige woonruimten destijds nog gold. Het hoger beroep van appellant A werd ongegrond verklaard, evenals het incidenteel hoger beroep van appellant B.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep van appellant B niet-ontvankelijk en legt het college een griffierecht op.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant A is ongegrond; het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep van appellant B worden niet-ontvankelijk verklaard.