ECLI:NL:RVS:2025:2742

Raad van State

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
202503396/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielzaak

Verzoeker heeft bij besluit van 16 augustus 2024 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 21 mei 2025 ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft op 18 juni 2025 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is bepaald dat verzoeker opvang en verstrekkingen ontvangt gedurende deze periode. De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 907,00, toe te rekenen aan rechtsbijstand door een derde.

Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij rekening is gehouden met eerdere jurisprudentie van de Raad van State. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door voorzieningenrechter D.A. Verburg en griffier N. Capel LLM.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202503396/2/V2.
Datum uitspraak: 18 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 mei 2025 in zaak nr. NL24.32801 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van N. Capel LLM, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Capel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025
1024