ECLI:NL:RVS:2025:2773
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beslissing bewaring en proceskostenvergoeding in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 14 februari 2025 in bewaring. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die op 3 maart 2025 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de eerste grief van appellant niet tot vernietiging leidt, omdat deze geen relevante rechtsvragen bevat voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel stelde de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte de minister niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt, terwijl dit op grond van artikel 6:22 Awb Pro wel had moeten gebeuren.
De Raad van State vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin de minister niet werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding en bevestigde de rest van de uitspraak. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €2.721, volledig toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand door een derde.
De bewaring zelf werd ambtshalve niet onrechtmatig bevonden, zodat het hoger beroep slechts slaagde op het punt van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van €2.721 aan proceskosten aan appellant.