ECLI:NL:RVS:2025:2773

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2025
Publicatiedatum
23 juni 2025
Zaaknummer
202501350/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing bewaring en proceskostenvergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 14 februari 2025 in bewaring. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die op 3 maart 2025 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de eerste grief van appellant niet tot vernietiging leidt, omdat deze geen relevante rechtsvragen bevat voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel stelde de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte de minister niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt, terwijl dit op grond van artikel 6:22 Awb Pro wel had moeten gebeuren.

De Raad van State vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin de minister niet werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding en bevestigde de rest van de uitspraak. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €2.721, volledig toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand door een derde.

De bewaring zelf werd ambtshalve niet onrechtmatig bevonden, zodat het hoger beroep slechts slaagde op het punt van proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van €2.721 aan proceskosten aan appellant.

Uitspraak

202501350/1/V3.
Datum uitspraak: 23 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 maart 2025 in zaak nr. NL25.7235 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.L. Sarin, advocaat in Zaandam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Wat appellant in de eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Appellant klaagt in de tweede grief terecht dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft een gebrek aangenomen en heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De grief slaagt.
3.       De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de minister niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 maart 2025 in zaak nr. NL25.7235, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.      bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2025
918-1086