ECLI:NL:RVS:2025:2820
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatigheid grensdetentie en afwijzing schadevergoeding
De minister van Asiel en Migratie legde betrokkene op 23 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op in de vorm van grensdetentie. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 18 december 2024 het beroep gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl betrokkene een incidenteel hoger beroep indiende, dat niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege wettelijke uitsluiting in grensdetentiezaken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het JCS ten tijde van de grensdetentie wel een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was, waardoor de detentie rechtmatig was.
Betrokkene voerde aan slecht te slapen en benauwd te zijn, maar de Afdeling vond dat de minister terecht geen lichter middel hoefde toe te passen gezien de aanwezigheid van een medische dienst in het JCS. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond; het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.