ECLI:NL:RBDHA:2024:21480
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige grensdetentie op Schiphol wegens penitentiair karakter detentieomstandigheden
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De detentie vond plaats in het Detentiecentrum Schiphol, waar vreemdelingen worden vastgehouden in grensdetentie.
De rechtbank stelde vast dat de detentieomstandigheden op Schiphol niet voldoen aan de eisen van een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie zoals bedoeld in artikel 10 van Pro de Opvangrichtlijn. Dit volgt uit het feit dat de detentiefaciliteiten multi-inzetbaar zijn en niet verschillen van reguliere gevangenisruimtes, met lange insluitingstijden van circa 16:30 tot 08:00 uur en een regime dat penitentiaire kenmerken vertoont.
Verweerder kon niet aantonen dat de extra verplichte uren op cel noodzakelijk waren voor het doel van de detentie, namelijk het voorkomen van ongeoorloofde toegang tot het Schengengebied. De rechtbank oordeelde dat de detentie onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen en kende een schadevergoeding toe van €1.100 voor 11 dagen onrechtmatige detentie.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Staat tot betaling van de proceskosten aan de rechtsbijstandverlener van eiser. De rechtbank benadrukte dat de beoordeling ziet op de aard van de inrichting en detentieomstandigheden in hun totaliteit, niet op de feitelijke uitvoering van het regime. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak is openbaar bekendgemaakt.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de detentie op Schiphol wordt als onrechtmatig beoordeeld met toekenning van schadevergoeding.