ECLI:NL:RVS:2025:287

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2025
Publicatiedatum
28 januari 2025
Zaaknummer
202405766/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-behandeling aanvraag verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 14 november 2022 een besluit om een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 9 september 2024 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de rechtbank het arrest van het Hof van Justitie correct had uitgelegd, maar dat de minister terecht aanvoerde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt is bij de beoordeling van overdracht naar een andere lidstaat, en dat de minister geen verdergaande vergewisplicht heeft dan voorheen.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank niet, en bepaalde dat de minister met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit moet nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard en minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

202405766/1/V3.
Datum uitspraak: 28 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 9 september 2024 in zaak nr. NL22.23197 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.P. van Empel-Bouman, advocaat in 's-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
De eerste grief
1.       De minister komt met zijn eerste grief terecht op tegen de manier waarop de rechtbank het arrest van het Hof van Justitie van 29 februari 2024, X, ECLI:EU:C:2024:195 heeft uitgelegd. De Afdeling heeft in de uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, onder 4-5.1, de bewijslastverdeling bij toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel weergegeven, waarbij zij de overwegingen van het Hof uit het arrest X heeft betrokken. Uit die uitspraak volgt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt is bij de beoordeling van een overdracht naar een andere lidstaat. De op de vreemdeling rustende last om aannemelijk te maken dat de minister niet van dit interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, laat onverlet dat de minister uit eigen beweging rekening zal moeten houden met relevante en objectieve informatie over de lidstaat waaraan de vreemdeling zal worden overgedragen. Dit betekent echter, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet dat de minister een verderstrekkende vergewisplicht dan voorheen heeft.
1.1.    De grief slaagt.
De tweede grief
2.       De tweede grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1.    De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen.
Conclusie
3.       Omdat de eerste grief slaagt, is het hoger beroep gegrond. Omdat die grief niet is gericht tegen de gegrondverklaring van het beroep, bestaat geen aanleiding de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en moet de minister met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op de aanvraag nemen. De minister hoeft voor de behandeling van het hoger beroep geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep gegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025
985