ECLI:NL:RVS:2025:3010
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie op 25 februari 2025 is afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing op 5 juni 2025 ongegrond. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 4 juli 2025 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, welke geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De beslissing is genomen met toepassing van artikel 8:81 en Pro 8:83 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij rekening is gehouden met eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457). De uitspraak werd gedaan in het openbaar door voorzieningenrechter C.M. Wissels, in aanwezigheid van griffier T. Toonen.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.