Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3011

Raad van State

Datum uitspraak
7 juli 2025
Publicatiedatum
2 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000744
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 maart 2024 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 10 december 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 26 mei 2025 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht om een voorlopige voorziening zodat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep nader onderzoek vereist vanwege een prejudiciële vraag over het inburgeringsvereiste bij gezinshereniging.

Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen dat de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.25.000744
Datum uitspraak: 7 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 mei 2025 in zaak nr. NL25.884 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 10 december 2024 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
2.        In het licht van de prejudiciële vraag die de Afdeling op 11 juni 2025 heeft gesteld, ECLI:NL:RVS:2025:2628, over het inburgeringsvereiste in het buitenland bij gezinshereniging, vergt het hoger beroep nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2025
574-1046