ECLI:NL:RVS:2025:3021
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige zonder geldige machtiging tot voorlopig verblijf
Betrokkene, met de Turkse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking arbeid als zelfstandige. De staatssecretaris wees de aanvraag af vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en onvoldoende onderbouwing van het ondernemingsplan, met name een niet-toegespitste markt- en concurrentieanalyse.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag voldoende was onderbouwd en dat betrokkene gehoord had moeten worden in de bezwaarfase. De minister stelde hoger beroep in tegen dit oordeel.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht de aanvraag niet aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft voorgelegd vanwege ondeugdelijkheid van het ondernemingsplan en onvoldoende regionale onderbouwing. Tevens was het niet verplicht betrokkene te horen omdat de gebreken niet hersteld waren en een hoorzitting geen zin had.
Hierdoor werd het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.