ECLI:NL:RVS:2025:3079
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige grensdetentie en proceskostenvergoeding
De minister van Asiel en Migratie legde op 8 april 2025 aan betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel op in de vorm van grensdetentie. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 14 mei 2025 het beroep gegrond verklaarde en de opheffing van de maatregel beval, alsmede een schadevergoeding toekende.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de grensdetentie te lang duurde, omdat de geplande zittingsdatum in de asielzaak precies viel op de laatste dag van de maximale termijn van dertien weken, terwijl het niet waarschijnlijk was dat de rechtbank die dag uitspraak zou doen.
De Afdeling zag geen reden om het oordeel van de rechtbank te vernietigen of de grensdetentie als onrechtmatig vanaf een eerdere datum te beschouwen. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die betrokkene had gemaakt in verband met het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.