ECLI:NL:RVS:2025:3081
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- M. Soffers
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige grensdetentie en toekenning schadevergoeding
Appellant werd bij besluit van 18 november 2024 door de minister van Asiel en Migratie een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel op 30 december 2024 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet langer dan dertien weken mag duren, conform artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Hoewel de rechtbank terecht had geoordeeld dat de detentie op het moment van uitspraak nog niet te lang was, werd vastgesteld dat de minister de grensdetentie pas op 24 februari 2025 opheefde, acht dagen na het verstrijken van de toegestane termijn. Hierdoor was de grensdetentie onrechtmatig vanaf 17 februari 2025.
De overige grieven van appellant werden niet gegrond verklaard omdat deze geen nieuwe relevante rechtsvragen bevatten. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep gegrond. Omdat de grensdetentie inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot opheffing gegeven. Wel werd appellant een schadevergoeding van €800 toegekend voor de periode van onrechtmatige detentie en werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.814.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en kent appellant een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige grensdetentie.