ECLI:NL:RVS:2025:3087
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onverenigbaarheid Nederlandse inburgeringsboete en terugbetalingsplicht met artikel 34 Kwalificatierichtlijn
Deze uitspraak betreft de vraag of het Nederlandse inburgeringsstelsel, zoals neergelegd in de Wet inburgering tot 1 januari 2022, in overeenstemming is met artikel 34 van Pro de Kwalificatierichtlijn. Dit artikel verplicht lidstaten om personen die internationale bescherming genieten toegang tot integratieprogramma’s te bieden en de omstandigheden daarvoor te waarborgen.
De zaak betreft een Eritrese asielstatushouder die niet tijdig slaagde voor het inburgeringsexamen en daarom een boete van €500 en een terugbetalingsverplichting van een lening van €10.000 kreeg opgelegd. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep gegrond verklaard.
Het Hof van Justitie oordeelde dat een inburgeringsplicht verenigbaar is met artikel 34, mits rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheden van asielstatushouders en de boete niet stelselmatig en onredelijk is. De Afdeling stelt dat de Nederlandse regeling die stelselmatig boetes oplegt en asielstatushouders verplicht de volledige kosten van integratieprogramma’s te dragen, in strijd is met artikel 34. De boetegrondslag en terugbetalingsplicht zijn daarom onverbindend en vernietigd.
De staatssecretaris moet reeds betaalde bedragen terugbetalen en proceskosten vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van maatwerk en het vermijden van financiële belemmeringen voor integratie van asielstatushouders.
Uitkomst: De boete en terugbetalingsplicht voor de appellant worden vernietigd wegens strijd met artikel 34 van de Kwalificatierichtlijn.