Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3158

Raad van State

Datum uitspraak
14 juli 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000566
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6 lid 3 Vw 2000Art. 91 lid 2 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige grensdetentie en proceskostenveroordeling

Bij besluiten van 8 april 2025 legde de minister van Asiel en Migratie betrokkenen een vrijheidsontnemende maatregel op in de vorm van grensdetentie. De betrokkenen stelden beroep in tegen deze besluiten bij de rechtbank Den Haag, die op 14 mei 2025 de beroepen gegrond verklaarde, de vrijheidsontnemende maatregelen ophefte en schadevergoeding toekende.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde op 14 juli 2025 dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die beantwoording in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten. De Afdeling bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Daarnaast veroordeelde de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten die door betrokkenen in verband met het hoger beroep waren gemaakt, een bedrag van € 907,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hiermee werd de rechtsbescherming van betrokkenen gewaarborgd en de onrechtmatigheid van de grensdetentie bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met veroordeling tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

BRS.25.000566
Datum uitspraak: 14 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 mei 2025 in zaken nrs. NL25.19547, NL25.19550 en NL25.19553 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 8 april 2025 heeft de minister betrokkenen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregelen met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat in Gouda, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.        Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, onder 3 tot en met 3.10, over de maximaal toegestane duur van grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.        De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om te oordelen dat de grensdetentie onrechtmatig was vanaf een eerdere datum dan de rechtbank heeft geoordeeld. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak.
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2025
1020