ECLI:NL:RVS:2025:3179
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens voortduren tijdelijke bescherming Oekraïense betrokkene
Bij besluit van 22 augustus 2023 bepaalde de staatssecretaris dat het recht op tijdelijke bescherming van betrokkene op 4 september 2023 zou eindigen en beval vertrek uit de EU. Dit besluit werd op 6 februari 2024 ingetrokken. Vervolgens stelde de staatssecretaris bij besluit van 7 februari 2024 vast dat betrokkene vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verbleef en gaf een nieuwe vertrekopdracht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk, maar vernietigde het tweede besluit. De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister bevoegd was tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 maart 2024, maar dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 onrechtmatig was omdat betrokkene toen nog rechtmatig verbleef onder tijdelijke bescherming.
De Afdeling vernietigde het terugkeerbesluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten. De zaak benadrukt het belang van correcte toepassing van de Terugkeerrichtlijn en het respecteren van rechten van beschermden tijdens de overgangsperiode.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt vernietigd omdat betrokkene toen nog rechtmatig verbleef onder tijdelijke bescherming.