ECLI:NL:RVS:2025:3190
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over onrechtmatigheid grensdetentie en proceskostenvergoeding
De minister van Asiel en Migratie legde op 15 februari 2025 een vrijheidsontnemende maatregel op aan betrokkene. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 maart 2025 het beroep gegrond verklaarde, de maatregel ophefte en het verzoek om schadevergoeding afwees. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. De zaak betreft een reeds eerder door de Afdeling beantwoorde rechtsvraag over de maximale duur van grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling ziet geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten vanaf een eerdere datum dan 13 maart 2025 en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907,00 die betrokkene heeft gemaakt in verband met het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met veroordeling tot proceskostenvergoeding.