ECLI:NL:RVS:2025:3203
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf in hoger beroep
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank had de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.
In het hoger beroep betoogden appellanten onder meer dat de minister ten onrechte de financiële situatie van de referent heeft meegewogen in de belangenafweging, terwijl deze als jongvolwassene nog Nederlands moet leren en zij zelf in staat zijn om in hun levensonderhoud te voorzien. De Afdeling overwoog dat de minister in de belangenafweging omstandigheden mag betrekken die hij ook bij de vaststelling van het familie- en gezinsleven heeft betrokken, maar daaraan een ander gewicht kan toekennen.
De Afdeling oordeelde dat de minister terecht heeft meegewogen dat de referent geen eigen inkomsten heeft en een uitkering ontvangt, en appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de referent zich voldoende heeft ingespannen om werk te vinden. De overige grieven leiden niet tot vernietiging van het vonnis. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.