Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3339

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000469
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 15 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering humanitaire situatie Jemen

De minister van Asiel en Migratie wees op 6 februari 2025 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuwe beoordeling met inachtneming van de uitspraak.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde op 23 juli 2025 dat het hoger beroep ongegrond is. De Afdeling bevestigde dat de minister de beoordeling van de humanitaire situatie in Jemen niet deugdelijk heeft gemotiveerd, met name in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

De Afdeling stelde vast dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet alle relevante omstandigheden globaal zijn meegewogen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907,00 aan betrokkene. Hiermee blijft de uitspraak van de rechtbank in stand en moet de minister een nieuw besluit nemen met een juiste motivering.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de vernietiging van het besluit en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.

Uitspraak

BRS.25.000469
Datum uitspraak: 23 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 april 2025 in zaak nr. NL25.8370 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. B.A. Palm, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Bij uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister de beoordeling in het beleid in paragraaf C7/19.4.2 van de Vc 2000 of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Bij deze beoordeling zijn namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling, onder 4.2, 6 en 6.1, heeft de rechtbank dus terecht overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe zij de slechte humanitaire situatie in Jemen in combinatie met de andere door betrokkene overgelegde informatie over het actuele geweldsniveau en andere relevante omstandigheden weegt in de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
1.1         De eerste grief slaagt niet.
2.        Het hoger beroep is ongegrond. Het is niet nodig wat de minister in de tweede grief heeft aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden te bespreken. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025
979