Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3345

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
202503720/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielzaak afgewezen

Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 16 januari 2025 is afgewezen. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 25 juni 2025 ongegrond verklaarde. Verzoeker ging vervolgens in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 22 juli 2025 besloten een voorlopige voorziening te treffen. Dit houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt, een bedrag van €907,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De beslissing is genomen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter weegt de belangen af en volgt eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457). De uitspraak is openbaar gedaan en ondertekend door mr. M. den Heyer als voorzieningenrechter en mr. J.W. Prins als griffier.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202503720/2/V2.
Datum uitspraak: 22 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2025 in zaak nr. NL25.3090 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 25 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2025
363-1065