Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3360

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
202503122/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 94 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak over vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht

Verzoeker heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek tot herziening ingediend van een eerdere uitspraak van 27 mei 2025. Hij stelde dat zijn beroep tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep moest worden aangemerkt en dat de rechtbank daarom binnen veertien dagen een zitting had moeten houden.

De Afdeling stelt vast dat verzoeker pas op 27 mei 2025 bekend werd met het feit dat zijn beroep als eerste beroep moest worden aangemerkt, waarmee aan de formele voorwaarden voor herziening is voldaan. Echter, de rechtbank had verzoeker reeds in december 2024 gevraagd of hij bezwaar had tegen schriftelijke afdoening, waarop verzoeker instemde.

Hierdoor concludeert de Afdeling dat de vertraging in het houden van een zitting niet tot een andere uitspraak had kunnen leiden. Het verzoek tot herziening voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro en wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen omdat de aangevoerde omstandigheden niet tot een andere uitspraak konden leiden.

Uitspraak

202503122/1/V3.
Datum uitspraak: 23 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2025 in zaak nr. 202500169/1/V3, ECLI:NL:RVS:2025:2398.
Procesverloop
Bij brief van 1 juni 2025 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om de hiervoor genoemde uitspraak van 27 mei 2025 te herzien.
Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. De redenen die verzoeker geeft in het herzieningsverzoek zijn niet zulke feiten of omstandigheden.
1.1.    De Afdeling heeft het hoger beroep van de minister gegrond verklaard. Verzoeker wil herziening van deze uitspraak. Hij voert aan dat de Afdeling heeft geoordeeld dat zijn beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 moet worden aangemerkt, en dat zij daarom consequenties had moeten verbinden aan de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting heeft gehouden (artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000). Verzoeker is weliswaar eerst op 27 mei 2025 bekend geworden met het feit dat zijn beroep bij de rechtbank als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 had moeten worden aangemerkt, zodat is voldaan aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb. Maar de Afdeling stelt vast dat de rechtbank verzoeker bij brief van 27 december 2024 heeft gevraagd of zijn beroep op een zitting behandeld moest worden en dat verzoeker bij brief van 30 december 2024 aan de rechtbank heeft laten weten dat hij geen bezwaar had tegen een schriftelijke afdoening. Daarom had de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting heeft gehouden, in dit geval niet tot een andere uitspraak kunnen leiden. Om die reden voldoet het herzieningsverzoek niet aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.
2.       De Afdeling wijst het verzoek daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025
1017