ECLI:NL:RVS:2025:3360
Raad van State
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak over vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht
Verzoeker heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek tot herziening ingediend van een eerdere uitspraak van 27 mei 2025. Hij stelde dat zijn beroep tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep moest worden aangemerkt en dat de rechtbank daarom binnen veertien dagen een zitting had moeten houden.
De Afdeling stelt vast dat verzoeker pas op 27 mei 2025 bekend werd met het feit dat zijn beroep als eerste beroep moest worden aangemerkt, waarmee aan de formele voorwaarden voor herziening is voldaan. Echter, de rechtbank had verzoeker reeds in december 2024 gevraagd of hij bezwaar had tegen schriftelijke afdoening, waarop verzoeker instemde.
Hierdoor concludeert de Afdeling dat de vertraging in het houden van een zitting niet tot een andere uitspraak had kunnen leiden. Het verzoek tot herziening voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro en wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen omdat de aangevoerde omstandigheden niet tot een andere uitspraak konden leiden.