Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3365

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
202501179/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbAfdeling 4 hoofdstuk 7 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag en verwijzing naar rechtbank

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep heeft de minister inmiddels het besluit genomen en de aanvraag afgewezen.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant daardoor het doel van de procedure heeft bereikt en geen belang meer heeft bij het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit. De stelling van appellant over mogelijke schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn is onvoldoende gespecificeerd om ontvankelijkheid te rechtvaardigen.

Verder verwijst de Afdeling naar een lopende prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie over de verlenging van de beslistermijn, maar dit beïnvloedt de huidige ontvankelijkheidsvraag niet. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Ten slotte wordt het beroep tegen het besluit van 25 juni 2025, waarbij de aanvraag is afgewezen, krachtens de Awb doorverwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, die gespecialiseerd is in asielzaken. Hierdoor blijft de mogelijkheid tot hoger beroep tegen dat oordeel open.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit zelf wordt verwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

202501179/1/V1.
Datum uitspraak: 23 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 21 februari 2025 in zaak nr. NL24.11097 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 21 februari 2025 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.Th. van Alkemade, advocaat in 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn aanvraag van 6 december 2022. Dat heeft de minister bij het besluit van 25 juni 2025 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt. Appellant heeft geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep. Zijn enkele niet gespecificeerde stelling dat hij mogelijk recht heeft op schadevergoeding vanwege de overschrijding van de maximale beslistermijn, schept geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet ontvankelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Dit heeft geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij besluit van 25 juni 2025 de aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellant heeft die aanvraag op 6 december 2022 ingediend. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Besluit van 25 juni 2025
4.       Het besluit van 25 juni 2025 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Appellant heeft bij brief van 14 juli 2025 laten weten het niet eens te zijn met dat besluit.
5.       De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 25 juni 2025, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
6.       De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       verwijst het beroep tegen het besluit van 25 juni 2025, V-[…], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025
977