ECLI:NL:RVS:2025:3367
Raad van State
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak over vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht
Verzoekster heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek ingediend tot herziening van een eerdere uitspraak van 21 mei 2025, waarin het hoger beroep van de minister gegrond werd verklaard. Zij stelde dat haar beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep moest worden aangemerkt, en dat de rechtbank daarom binnen veertien dagen een zitting had moeten houden.
De Afdeling oordeelde dat hoewel verzoekster pas op 21 mei 2025 bekend werd met het feit dat haar beroep als eerste beroep moest worden aangemerkt, de rechtbank haar op 27 december 2024 had gevraagd of zij een zitting wenste. Verzoekster gaf op 30 december 2024 aan geen bezwaar te hebben tegen schriftelijke afdoening. Hierdoor kon het niet zo zijn dat het niet binnen veertien dagen houden van een zitting tot een andere uitspraak had kunnen leiden.
De Afdeling concludeerde dat de aangevoerde feiten niet voldeden aan de voorwaarden voor herziening op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb, omdat deze feiten niet van vóór de uitspraak waren of niet tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Het verzoek tot herziening werd daarom afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak wordt afgewezen.