AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing herzieningsverzoek inzake eerste beroep bij voortduren vrijheidsontnemende maatregel
Verzoekster heeft verzocht om herziening van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 27 mei 2025, waarin het hoger beroep van de minister gegrond werd verklaard. Zij stelde dat haar beroep tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moest worden aangemerkt, en dat de rechtbank daarom binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting had moeten houden.
De Afdeling overwoog dat hoewel verzoekster pas op 27 mei 2025 bekend werd met de kwalificatie van haar beroep als eerste beroep, de rechtbank haar reeds in december 2024 had gevraagd of zij een zitting wenste. Verzoekster had schriftelijk aangegeven geen bezwaar te hebben tegen schriftelijke afdoening. Hierdoor had het niet houden van een zitting binnen veertien dagen niet tot een andere uitspraak kunnen leiden.
Op grond hiervan voldeed het herzieningsverzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling wees het verzoek af en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen omdat de nieuwe feiten niet tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.
Uitspraak
202503126/1/V3.
Datum uitspraak: 23 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[verzoekster],
verzoekster,
om herziening (artikel 8:119 vanPro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2025 in zaak nr. 202500167/1/V3, ECLI:NL:RVS:2025:2397.
Procesverloop
Bij brief van 1 juni 2025 heeft verzoekster de Afdeling verzocht om de hiervoor genoemde uitspraak van 27 mei 2025 te herzien.
Verzoekster heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. De redenen die verzoekster geeft in het herzieningsverzoek zijn niet zulke feiten of omstandigheden.
1.1. De Afdeling heeft het hoger beroep van de minister gegrond verklaard. Verzoekster wil herziening van deze uitspraak. Zij voert aan dat de Afdeling heeft geoordeeld dat haar beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 moet worden aangemerkt, en dat zij daarom consequenties had moeten verbinden aan de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting heeft gehouden (artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000). Verzoekster is weliswaar eerst op 27 mei 2025 bekend geworden met het feit dat haar beroep bij de rechtbank als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 had moeten worden aangemerkt, zodat is voldaan aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb. Maar de Afdeling stelt vast dat de rechtbank verzoekster bij brief van 27 december 2024 heeft gevraagd of haar beroep op een zitting behandeld moest worden en dat verzoekster bij brief van 30 december 2024 aan de rechtbank heeft laten weten dat zij geen bezwaar had tegen een schriftelijke afdoening. Daarom had de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting heeft gehouden, in dit geval niet tot een andere uitspraak kunnen leiden. Om die reden voldoet het herzieningsverzoek niet aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.
2. De Afdeling wijst het verzoek daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.