ECLI:NL:RVS:2025:3375
Raad van State
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek inzake vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht
Verzoeker heeft bij brief van 1 juni 2025 verzocht om herziening van de uitspraak van 27 mei 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak, waarin het hoger beroep van de minister gegrond werd verklaard. Het verzoek tot herziening is ingediend op grond van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat herziening mogelijk maakt bij nieuwe feiten of omstandigheden.
De Afdeling overweegt dat herziening alleen mogelijk is indien sprake is van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak bestonden, maar pas daarna bekend werden, en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Verzoeker stelt dat zijn beroep bij de rechtbank als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 had moeten worden aangemerkt, waardoor de rechtbank binnen veertien dagen een zitting had moeten houden.
De Afdeling stelt vast dat verzoeker pas op 27 mei 2025 van deze kwalificatie op de hoogte was, wat voldoet aan de eerste vereisten voor herziening. Echter, de rechtbank had verzoeker al op 27 december 2024 gevraagd of hij een zitting wenste, en verzoeker had op 30 december 2024 schriftelijk verklaard geen bezwaar te hebben tegen schriftelijke afdoening. Hierdoor had het niet houden van een zitting binnen veertien dagen niet tot een andere uitspraak kunnen leiden.
Daarom voldoet het herzieningsverzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro en wordt het verzoek afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen omdat geen nieuwe feiten zijn die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.