ECLI:NL:RVS:2025:3484
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens ontbreken vereiste stukken
Appellant heeft bij besluit van 15 februari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke is afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd bij besluit van 25 oktober 2022 ongegrond verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank bij uitspraak van 21 december 2023 het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet alle volgens bijlage 8aa bij artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 vereiste stukken heeft overgelegd. Hierdoor mocht de minister de aanvraag afwijzen zonder voorlegging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Daarnaast heeft appellant geen steekhoudende verklaring gegeven waarom de ontbrekende stukken niet konden worden overgelegd, waardoor de rechtbank ook terecht heeft geoordeeld dat de minister van horen mocht afzien. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.