202302688/1/V2.
Datum uitspraak: 29 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 april 2023 in zaak nr. NL23.7784 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Spapens, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Wat appellant in de eerste tot en met de zevende grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. In de achtste grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn vrees voor de mensensmokkelaar niet aannemelijk heeft gemaakt.
2.1. De minister heeft geloofwaardig geacht dat appellant, voordat hij in Nederland asiel aanvroeg, slachtoffer is geworden van een mensensmokkelaar, dat appellant geld voor hem moest verdienen om zijn schuld af te betalen en dat deze mensensmokkelaar hem heeft bedreigd. De minister heeft zich echter op het standpunt gesteld dat appellant bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade, omdat appellant heeft verklaard dat hij voor het laatst in 2019 persoonlijk is bedreigd en omdat appellant onvoldoende concreet en aannemelijk heeft gemaakt waarom hij nog te vrezen heeft voor de mensensmokkelaar. Deze motivering volstaat niet als risicoanalyse als bedoeld in de Country Guidance van Nigeria van 2021 van het European Asylum Support Office, nu het European Union Agency for Asylum. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996 en ECLI:NL:RVS:2025:2093. Daarom komt appellant terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade door represailles van mensensmokkelaars. De grief slaagt. 3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 13 maart 2023. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 april 2023 in zaak nr. NL23.7784;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 13 maart 2023, V-[...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2025
897-1127