ECLI:NL:RVS:2025:3534

Raad van State

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
202307632/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.P. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering uitstel van vertrek wegens onzorgvuldige motivering

Appellant verzocht op 6 september 2022 om uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar dit verzoek werd afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris op 17 mei 2023 het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. De rechtbank Den Haag bevestigde dit besluit bij uitspraak van 17 november 2023. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling constateerde dat de minister in het besluit van 17 mei 2023 uitsluitend verwees naar een eerder genomen terugkeerbesluit zonder opnieuw te beoordelen of er sprake was van een risico op refoulement. Daarbij bleek dat appellant volgens dat terugkeerbesluit naar Armenië zou moeten terugkeren, terwijl de minister in de huidige procedure had beoordeeld of appellant bij vertrek naar Guinee in een medische noodsituatie zou verkeren. De minister gaf geen nadere toelichting en reageerde niet op het verzoek van de Afdeling om het eerdere terugkeerbesluit te overleggen en toe te lichten.

Hierdoor oordeelde de Afdeling dat het standpunt van de minister onzorgvuldig was voorbereid en ondeugdelijk was gemotiveerd. De overige grieven faalden, maar het hoger beroep werd gegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank en het besluit van 17 mei 2023 werden vernietigd. De minister werd opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van 17 mei 2023 wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen met vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202307632/1/V1.
Datum uitspraak: 30 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 november 2023 in zaak nr. 23/5808 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 17 mei 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellant klaagt in de zesde grief over het oordeel van de rechtbank, dat de minister in het besluit van 17 mei 2023 terecht alleen heeft verwezen naar een eerder genomen terugkeerbesluit zonder opnieuw te beoordelen of er sprake is van een risico op refoulement. De Afdeling stelt vast dat appellant volgens de verwijzing naar het eerder genomen terugkeerbesluit zou moeten terugkeren naar Armenië, terwijl de minister in deze procedure heeft beoordeeld of appellant bij vertrek naar Guinee in een medische noodsituatie terechtkomt. De Afdeling heeft de minister bij brief van 26 mei 2025 onder meer gevraagd om het eerder genomen terugkeerbesluit over te leggen en daarbij toe te lichten waarom appellant moet terugkeren naar Armenië en niet naar Guinee. De minister heeft geen reactie gegeven. Appellant betoogt daarom terecht dat de minister haar standpunt dat appellant moet terugkeren naar Armenië onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De grief slaagt.
2.       De overige grieven leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 17 mei 2023. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 november 2023 in zaak nr. 23/5808;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 17 mei 2023, V-[...];
V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Vermeulen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2025
1028