ECLI:NL:RVS:2025:3553
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing paspoortaanvragen minderjarige zonen wegens niet tijdige bewijslevering Nederlanderschap
Appellant, die in 2008 het Nederlanderschap verkreeg, heeft zijn twee minderjarige zonen erkend in 2018. Hij diende in november 2019 paspoortaanvragen in voor zijn kinderen, maar de minister liet deze buiten behandeling omdat de kinderen volgens de minister nooit het Nederlanderschap hadden verkregen. De rechtbank oordeelde dat appellant niet binnen de vereiste termijn van één jaar na erkenning het biologisch vaderschap met een geaccrediteerd DNA-rapport had aangetoond, zoals vereist is volgens artikel 4, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de termijn onredelijk was en dat onvolledige informatie van de minister tot gerechtvaardigd vertrouwen had geleid. De Raad van State overwoog dat het later overgelegde DNA-rapport uit 2022 niet relevant was omdat het niet binnen de termijn was ingediend en geen eerder bewijs onderbouwde. De Afdeling vond de argumenten van appellant niet overtuigend en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister heeft terecht de paspoortaanvragen buiten behandeling gelaten wegens het niet tijdig overleggen van het vereiste DNA-bewijs.