ECLI:NL:RVS:2025:3668
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake inbewaringstelling vreemdeling wegens ontbreken redelijke termijn uitzetting
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 25 oktober 2024 in bewaring. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarop de rechtbank Den Haag op 13 november 2024 het beroep gegrond verklaarde, de vrijheidsontneming ophefte en schadevergoeding toekende.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond. De Afdeling oordeelde dat het zicht op uitzetting naar Libië binnen een redelijke termijn niet ontbrak, verwijzend naar een eerdere uitspraak.
Betrokkene voerde aan dat de ophouding op een verkeerde grondslag was gebaseerd en dat de minister vanwege zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw een lichter middel had moeten toepassen. Deze bezwaren werden door de Afdeling verworpen. De minister had de bewaring voldoende gemotiveerd op basis van meerdere inreizen zonder geldig reisdocument en het niet naleven van meldplicht.
De Afdeling achtte de bewaring rechtmatig en wees het verzoek om schadevergoeding af. Ook hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden. Hiermee kwam een einde aan het geschil over de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond; de inbewaringstelling is rechtmatig.