ECLI:NL:RVS:2025:3672
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep minister tegen opheffing bewaring betrokkene wegens uitzettingsperspectief
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 13 november 2024 in bewaring. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarop de rechtbank Den Haag op 5 december 2024 het beroep gegrond verklaarde, de bewaring ophefte en schadevergoeding toekende.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat het oordeel van de rechtbank dat het zicht op uitzetting naar Libië binnen een redelijke termijn ontbreekt, onjuist is. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3070) ter onderbouwing.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de minister gegrond. Omdat er geen overige beroepsgronden zijn die niet besproken zijn en ook ambtshalve geen reden is om de bewaring onrechtmatig te achten, wordt het beroep alsnog ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.