ECLI:NL:RVS:2025:3699
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens strafbeschikking
De appellant, werkzaam in de beveiliging sinds 1999, vroeg op 25 juni 2021 een nieuwe toestemming aan voor beveiligingswerkzaamheden nadat zijn eerdere toestemming op 3 april 2021 was verlopen. De korpschef van politie wees dit verzoek af op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr, vanwege een strafbeschikking van 20 januari 2020 voor rijden onder invloed, waardoor de appellant niet voldeed aan de vereiste bekwaamheid en betrouwbaarheid.
De appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze afwijzing, maar zowel het bezwaar als het beroep werden ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogde appellant dat de toepassing van het dwingendrechtelijke artikel 7, vierde lid, in zijn situatie in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat de korpschef had nagelaten zijn eerdere toestemming in te trekken en in plaats daarvan het nieuwe verzoek had afgewezen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7, vierde lid, geen ruimte laat voor belangenafweging bij het onthouden van toestemming en dat de gestelde bijzondere omstandigheden niet zodanig zijn dat de toepassing van deze wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Tevens werd vastgesteld dat appellant door de administratieve fout van de korpschef juist voordeel had gehad doordat hij langer zijn werkzaamheden kon verrichten.
De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd opgemerkt dat een nieuw verzoek om toestemming kan worden gedaan, waarbij de strafbeschikking niet meer zal worden betrokken omdat de terugkijktermijn inmiddels is verstreken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor toestemming tot beveiligingswerkzaamheden wordt bevestigd.