ECLI:NL:RBZWB:2026:274

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
25/6307 en 25/6308
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7, tweede lid, WpbrArt. 7, vierde lid, WpbrArt. 8:81, eerste lid, AwbArt. 8:86 AwbArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef van politie om hem geen toestemming te verlenen voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. De weigering is gebaseerd op het oordeel dat verzoeker niet beschikt over de benodigde betrouwbaarheid, mede vanwege een strafbeschikking voor mishandeling in 2021 en een voorwaardelijk sepot in 2025.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bezwaarprocedure correct is verlopen en dat verzoeker voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt toe te lichten. De korpschef heeft een ruime beoordelingsruimte bij het bepalen van betrouwbaarheid, waarbij hogere eisen gelden vanwege de aard van het beveiligingswerk.

De rechtbank stelt vast dat de strafbeschikking binnen de terugkijktermijn valt en dat mishandeling niet verenigbaar is met beveiligingswerkzaamheden. Ook het voorwaardelijk sepot weegt mee in de beoordeling. Omdat artikel 7, vierde lid, van de Wpbr een dwingendrechtelijke bepaling is, is geen ruimte voor belangenafweging. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: 25/6307 en 25/6308

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. K. Cras),
en

De Korpschef van Politie, verweerder.

Inleiding

Verzoeker heeft op 8 december 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 27 oktober 2025 (bestreden besluit), over het weigeren van toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker was aanwezig, bijgestaan door mr. S. Wetsema, die waarnam voor de gemachtigde. Verweerder was – na een voorafgaand bericht van verhindering – niet aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De feiten

[werkgever] B.V. (hierna: [werkgever] ) heeft verweerder op 16 december 2024 toestemming gevraagd om verzoeker voor het bedrijf beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
Op 17 juli 2025 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld voornemens te zijn de aangevraagde toestemming te onthouden.
Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 5 augustus 2025 (primair besluit) afgewezen. Verweerder heeft op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr geweigerd toestemming te verlenen om verzoeker beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten, omdat verzoeker volgens verweerder niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.
Verzoeker heeft daartegen op 29 augustus 2025 bezwaar gemaakt.
Bij bestreden besluit heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft daartegen op 8 december 2025 beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

2. Spoedeisend belang

2.1
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval de uitspraak in beroep – niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
2.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek om voorlopige voorziening, omdat verzoeker vanaf februari 2026 opnieuw een mogelijkheid heeft om te starten met een opleiding en stageplek bij [werkgever] . Zonder toestemming kan verzoeker niet in dienst treden bij [werkgever] en verliest hij zijn opleidingsplek.
3. Wettelijk kader
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4. De weigering van toestemming
4.1
Verweerder heeft de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten onthouden op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr in samenhang met paragraaf 3.3 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Bpbr).
4.2
Verweerder heeft de toestemming geweigerd, omdat verzoeker volgens verweerder over onvoldoende betrouwbaarheid beschikt om beveiligingswerkzaamheden uit te kunnen voeren. De betrouwbaarheid en integriteit van verzoeker zijn volgens verweerder niet boven iedere twijfel verheven. Aan verzoeker is op 17 december 2021 een strafbeschikking opgelegd van 300 euro ter zake van mishandeling (uitgaansgeweld) op 3 oktober 2021. [1] Gelet daarop is de betrouwbaarheid van verweerder niet boven alle twijfel verheven. Daarnaast heeft verweerder bij die beslissing meegenomen dat de officier van justitie op 17 april 2025 ten aanzien van verzoeker heeft besloten tot een voorwaardelijk sepot in verband met een beperkte kring. Het sepot zag op openlijk geweld en vernieling op 17 januari 2025. [2] Volgens verweerder is ook het gebruiken van geweld tegen een buurman, waarbij de deur van die buurman is vernield, geen gedrag dat past bij een beveiliger. Verzoeker is twee keer aangehouden als verdachte van mishandeling, openlijke geweldpleging dan wel vernieling. Dat geeft volgens verweerder aan dat verzoeker het niet zo nauw neemt met de geldende rechtsregels. De kern van de taken van verzoeker zou juist het bewaken van de veiligheid van personen en goederen moeten zijn. De door verzoeker getoonde gedragingen brengen de betrouwbaarheid en integriteit van verzoeker is gevaar.
5. De gronden
5.1
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten tot zes weken na de uitspraak in beroep.
5.2
Verzoeker heeft vooropgesteld dat de besluitvorming erg lang op zich heeft laten wachten en dat hij in bezwaar geen mogelijkheid heeft gehad om zijn standpunt mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting.
5.3
Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de betrouwbaarheid van verzoeker niet boven iedere twijfel is verheven. Verzoeker is voldoende betrouwbaar om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren. Verweerder had de weigering niet kunnen baseren op het feit uit 2021, omdat het is afgedaan met een strafbeschikking en daarom van zeer geringe ernst was. Verweerder had de weigering ook niet kunnen baseren op het feit uit 2025, omdat uit het bezwaarschrift en het strafdossier blijkt dat verzoeker niet was betrokken bij enige vorm van openlijke geweldpleging. Het is ook afgedaan met de lichtste en laagste wijze van afdoening binnen het strafrecht: een voorwaardelijk beleidssepot. Van recidive is ook geen sprake. Verzoeker heeft daaraan toegevoegd dat verweerder de persoonlijke en professionele belangen van verzoeker en de onevenredige gevolgen voor verzoeker, onvoldoende heeft meegewogen. Verzoeker heeft de toestemming nodig om zijn opleiding te kunnen voortzetten en afronden.
Binnen die opleiding kan hij in een gecontroleerde setting (onder voortdurend toezicht) laten zien dat hij betrouwbaar is. Het weigeren van de toestemming ontneemt hem de mogelijkheid om zich te bewijzen en belemmert zijn opleidings- en toekomstperspectief.
Volgens verzoeker had verweerder moeten onderzoeken of er een mogelijkheid bestond voor een minder ingrijpend middel: bijvoorbeeld om de toestemming voor de duur van één jaar en onder voorwaarden te verlenen. Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst verzoeker naar uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2022 [3] en deze rechtbank van 21 april 2022 en 29 juli 2022. [4]
6. Beoordeling
6.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
6.2
De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.3
De bezwaarprocedure
6.3.1
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de bezwaarprocedure onzorgvuldig is verlopen. Meer specifiek is niet gebleken dat verweerder te laat op het bezwaar heeft beslist of dat de hoorplicht is geschonden. De voorzieningenrechter licht dat oordeel hierna toe.
6.3.2
Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 5 augustus 2025 (primair besluit) afgewezen. Verzoeker heeft daar op 29 augustus 2025 bezwaar tegen gemaakt. Uit de Awb [5] volgt dat verweerder zes weken na het verstrijken van de bezwaartermijn op het bezwaar moest beslissen. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 28 november 2025 op het bezwaar moest beslissen. De beslissing op bezwaar is van 27 oktober 2025. Dat betekent dat verweerder tijdig op het bezwaar heeft beslist. Voor het geval verzoeker heeft bedoeld om aan te voeren dat door verweerder niet tijdig is beslist op het verzoek van [werkgever] om toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, had het op de weg van verzoeker gelegen om zo nodig beroep in te stellen vanwege het niet tijdig beslissen. [6]
6.3.3
Uit de Awb volgt dat verweerder verplicht was om verzoeker in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, voordat op zijn bezwaar werd beslist. [7] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat die hoorplicht is geschonden. Uit de Awb volgt dat verzoeker door verweerder ‘in de gelegenheid moest worden gesteld om te worden gehoord’ en dat het criterium niet is dat verzoeker ‘moest worden gehoord’. Uit artikel 7:3, onder c, van de Awb blijkt dat van het horen kan worden afgezien, wanneer verzoeker heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Uit het bestreden besluit blijkt – en dit wordt ook niet betwist – dat verzoeker heeft afgezien van een hoorzitting in bezwaar. Dat verzoeker zich daartoe gedwongen voelde vanwege ‘tijdsdruk’, maakt dat oordeel niet anders. Dit is een keuze van verzoeker geweest waarvan de gevolgen voor zijn rekening dienen te worden gelaten. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat verzoeker ter zitting alles heeft kunnen aanvoeren wat hij van belang achtte.
6.4
Betrouwbaarheid
6.4.1
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de toestemming om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren als bedoeld in artikel 7 van Pro de Wpbr mogen weigeren. Verweerder heeft redelijkerwijs mogen aannemen dat verzoeker ten tijde van het bestreden besluit niet beschikte over de betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden.
Toetsingskader
6.4.2
Een beveiligingsbedrijf moet toestemming krijgen van verweerder om een bepaald persoon beveiligingswerkzaamheden te laten uitvoeren. [8] Toestemming wordt op grond van de Wpbr onthouden, indien die persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. [9] Gelet op die bewoordingen heeft artikel 7, vierde lid, van de Wpbr een imperatief karakter. De korpschef is verplicht om de toestemming te onthouden, indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden dat een persoon niet beschikt over die bekwaamheid en betrouwbaarheid. Bij deze beoordeling bestaat geen ruimte voor een belangenafweging. [10]
6.4.3
Bij de beoordeling van de vraag of een bepaald persoon voldoende betrouwbaar is voor het verrichten van werkzaamheden in de particuliere beveiligingsbranche, komt aan de korpschef beoordelingsruimte toe. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche worden, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere branches. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn. [11]
6.4.4
In de Bpbr is de beoordeling van de betrouwbaarheid nader ingevuld. Hieruit volgt dat de toestemming wordt onthouden als bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van veroordelingen of andere rechterlijke uitspraken binnen de daarvoor geldende periode in het verleden. [12] Een strafbeschikking wordt daarbij gelijkgesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak. De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd. Verweerder kan van die termijn afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.
6.4.5
De toestemming wordt op grond van de Bpbr ook onthouden als blijkt van andere over de betrokkene bekende feiten op grond waarvan kan worden aangenomen dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten, dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook uit tegen de betrokkene opgemaakte processen-verbaal, mutatierapporten en sepots kan volgen dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar wordt geacht. [13]
6.4.6
Verweerder mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [14]
Beoordeling
6.4.7
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende betrouwbaar was om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Aan verzoeker is op 17 december 2021 een strafbeschikking in de vorm van een geldboete opgelegd wegens het plegen van een misdrijf: mishandeling uit artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De strafbeschikking is aan verzoeker opgelegd binnen de periode van vier jaar voorafgaand aan het primaire besluit en het bestreden besluit. Verzoeker heeft tegen deze strafbeschikking geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte vaststaat. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr moet verweerder in dat geval de toestemming weigeren, omdat verzoeker niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid zoals opgenomen in paragraaf 3.3, onder a, van de Bpbr. In de aard van het strafbare feit heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om van de terugkijktermijn uit de Bpbr af te wijken. Mishandeling verdraagt zich naar zijn aard niet met beveiligingswerkzaamheden, omdat van een beveiligingsmedewerker in hoge mate zelfbeheersing wordt verwacht, juist omdat hij moet optreden in conflictsituaties. [15] Verweerder had gelet op hetgeen in de stukken blijkt van de omstandigheden waaronder het strafbare feit werd gepleegd ook geen aanleiding hoeven zien om de uitleg die verzoeker aan dat feit geeft te volgen en het feit – zo begrijpt de voorzieningenrechter de bedoeling van verzoeker – van minder gewicht te achten.
6.4.8
Verweerder heeft bij het besluit dat verzoeker ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende betrouwbaar was om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren, ook redelijkerwijs kunnen baseren op het voorwaardelijk sepot van 17 april 2025. In paragraaf 3.3, onder b, van de Bpbr staat dat sepots een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. Verweerder heeft in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd waarom in dit geval het sepot meeweegt in de beoordeling omtrent verzoekers betrouwbaarheid. Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat de sepotgrond ‘beperkte kring’ was. Een dergelijk sepot wordt volgens de “Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden” van het College van procureurs-generaal toegepast wanneer het feit zich in zo beperkte kring heeft afgespeeld (gezin, buren e.c.) dat – in verband met de mate van ernst van het feit – onvoldoende algemeen belang aanwezig lijkt om een strafvervolging te rechtvaardigen. Uit paragraaf 3.3, onder b, van de Bpbr volgt dat verweerder de feiten die ten grondslag aan het beleidssepot lagen kon betrekken bij zijn beoordeling van de betrouwbaarheid van verzoeker. Uit de keuze van het Openbaar Ministerie voor het beleidssepot kan worden afgeleid dat succesvolle vervolging technisch haalbaar was, maar op gronden van algemeen belang niet opportuun werd geacht. Daarnaast is aan het beleidssepot een proeftijd verbonden. Deze proeftijd loopt nog. Indien verzoeker zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, zal alsnog strafvervolging worden ingesteld. Dat kan natuurlijk alleen bij voldoende bewijs. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht overwogen dat uit de keuze voor een beleidsmatige en voorwaardelijke seponering niet volgt dat geen serieuze verdenking bestaat ten opzichte van verzoeker, zoals verzoeker zelf wel lijkt te stellen.
6.5
Evenredigheidsbeginsel
6.5.1
In artikel 7, vierde lid, van de Wpbr is bepaald dat als verweerder verzoeker onbetrouwbaar acht, hij de toestemming moet onthouden. Voor een belangenafweging is geen plaats als is vastgesteld dat de betrokkene niet voldoende betrouwbaar is. Artikel 7, vierde lid, van de Wpbr is namelijk een dwingendrechtelijke bepaling. Het verlenen van toestemming voor beperkte tijd of onder voorwaarden past ook niet in het dwingendrechtelijke karakter van die bepaling. [16] De uitspraken waarnaar verzoeker verwijst, acht de voorzieningenrechter niet relevant. Die zien op de intrekking van toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten en niet op het onthouden van een dergelijke toestemming. Er gelden verschillende toetsingskaders voor de situatie waarin een toestemming wordt ingetrokken (artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr) en wanneer een toestemming wordt onthouden (artikel 7, vierde lid). In het eerste geval is ruimte voor een belangenafweging en in het tweede geval niet. [17]
6.5.2
Dat neemt echter niet weg dat verweerder bij de beoordeling of de betrokkene bekwaam of betrouwbaar is, gebruik maakt van de Bpbr en artikel 4:84 van Pro de Awb moet toepassen. Daarbij mag hij alleen omstandigheden betrekken die relevant zijn voor het oordeel of de betrokkene al dan niet bekwaam of betrouwbaar is. De reikwijdte van de toepasbaarheid artikel 4:84 van Pro de Awb wordt dus begrensd door de beoordelingsruimte die artikel 7, vierde lid, van de Wpbr verweerder laat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. De omstandigheden dat een betrokkene als gevolg van het besluit tijdelijk zijn studie moet staken en vertraging ondervindt bij het afronden daarvan en de positieve, stabiele en beschermende invloed van het volgen van die opleiding zijn naar het oordeel van de Afdeling geen omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het oordeel over de betrouwbaarheid. [18]
6.5.3
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de afwijzing van de aanvraag niet betekent dat verzoeker nooit in de beveiligingsbranche kan werken. Verzoeker kan op termijn een nieuwe aanvraag tot toestemming doen, waarbij hij kan aantonen dat hij dan wel de benodigde betrouwbaarheid heeft.
7. Voorlopige conclusie
7.1
Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat verzoeker niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr moest verweerder de toestemming daarom weigeren. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren en het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen.
7.2
Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.

De beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr)
Artikel 7, tweede lid, van de Wpbr
Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.
Artikel 7, vierde lid, van de Wpbr
De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde bekwaamheid.
Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019
Paragraaf 3.3
De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)
De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:
1)binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of,
2)binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd
Verlenging terugkijktermijn
Wanneer de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante terugkijktermijn enige tijd een vrijheidsstraf heeft ondergaan wordt de van toepassing zijnde terugkijktermijn (telkens) vermeerderd met de feitelijke duur van de vrijheidsbeneming. Dit totdat de termijn bestaat uit in totaal vier dan wel acht jaren, waarin geen sprake is geweest van een vrijheidsbenemende straf. De betrokkene heeft immers gedurende de duur van de vrijheidsbenemende straf niet kunnen laten zien dat hij geen (relevante) strafbare feiten meer zal plegen.
Transacties en strafbeschikkingen
Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Hoger beroep
Om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt wordt als uitgangspunt genomen de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg.
Buitenlandse veroordelingen
Een veroordeling in het buitenland, wegens overtreding van een aldaar geldende strafbepaling, wordt gelijk gesteld met een veroordeling in Nederland voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld.
Afwijking termijnen
De korpschef, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee, of de Minister van Justitie en Veiligheid, in het geval van een leidinggevende of een organisatie of recherchebureau zonder vestiging in Nederland, kan van de hiervoor onder 1 en 2 bepaalde termijnen afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.
Andere rechterlijke uitspraken dan veroordelingen
Met betrekking tot rechterlijke uitspraken die niet tot een veroordeling hebben geleid, kan gedacht worden aan zaken waarbij het tot een vrijspraak is gekomen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Die situatie zal in het algemeen minder snel aanknopingspunten bieden om een toestemming te weigeren. Een vrijspraak wil echter niet zonder meer zeggen dat de verdachte het feit niet heeft gepleegd, maar dat de rechter niet voldoende bewezen acht dat de verdachte het feit gepleegd heeft. De korpschef kan in bepaalde gevallen ook na een vrijspraak nog altijd reden hebben om de persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd niet betrouwbaar te achten. In het algemeen is het wel zo dat een vrijspraak extra zware eisen zal stellen aan de motivering van de weigering van de toestemming.
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)
De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
Sepots, processen-verbaal en mutaties
Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.
Verkeren in criminele kringen
In geval van aanwijzingen dat de aanvrager verkeert in kringen waarbinnen (dreiging met) geweld niet wordt geschuwd, dan wel indicaties die wijzen in de richting van betrokkenheid van aanvrager bij enige vorm van afpersing, drugshandel of andere zware (georganiseerde) criminaliteit dan wel het verkeren door hem in (zware) criminele kringen, kan er eveneens aanleiding zijn aan te nemen dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten. In het geval er een vermoeden bestaat dat de betrokkene verkeert in criminele kringen dient dit vermoeden recent en objectief bepaalbaar te zijn op grond van de onderliggende politiegegevens. Daarbij moet worden bedacht dat betrokkene zoveel mogelijk de gelegenheid moet krijgen zich te verweren tegen de tegen hem bestaande bedenkingen.
Wanneer de informatie (van bijvoorbeeld de Criminele Inlichtingen Eenheid) niet mag worden prijsgegeven zijn de desbetreffende gegevens dus niet bruikbaar in een bestuursrechtelijke procedure. Vastlegging in een rapport of proces-verbaal is noodzakelijk maar ter bescherming van de identiteit van de informant kan worden volstaan met het beknopt vermelden van de gegevens waarmee de aanvrager in verband wordt gebracht en wat de betrouwbaarheid is van deze informatie. In het kader van een eventuele beroepsprocedure kan de rechtbank zo nodig vertrouwelijk kennis nemen van de onderliggende informatie om zich zodoende een oordeel te kunnen vormen over de juistheid van het bestreden besluit.
Termijn
De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder b is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De periode kan echter – behoudens uitzonderlijke gevallen – nooit langer zijn dan de 8 jaar als hiervoor genoemd.

Voetnoten

1.Artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht.
2.Artikel 141 en Pro 350 van het Wetboek van strafrecht.
3.Rechtbank Midden-Nederland 23 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:6203, r.o. 23.
4.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 april 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2013 en 29 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:4306.
5.Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. Nu geen commissie als bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Awb is ingesteld.
6.Artikel 6:2, onder b, en artikel 6:12 van Pro de Awb.
7.Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
8.Artikel 7, tweede lid, van de Wpbr.
9.Artikel 7, vierde lid, van de Wpbr.
10.ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3879, r.o. 10.
11.ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3878, r.o. 5.
12.Paragraaf 3.3, onder a, van de Bpbr.
13.Paragraaf 3.3, onder b, van de Bpbr.
14.ABRvS 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:763 r.o. 4.1.
15.ABRvS 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2840, r.o. 4.4.
16.ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3879, r.o. 10, ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3699, r.o. 2.1 en 2.4.
17.ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3699, r.o. 2.1.
18.ABRvS 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4841, r.o. 5.3.