Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef van politie om hem geen toestemming te verlenen voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. De weigering is gebaseerd op het oordeel dat verzoeker niet beschikt over de benodigde betrouwbaarheid, mede vanwege een strafbeschikking voor mishandeling in 2021 en een voorwaardelijk sepot in 2025.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de bezwaarprocedure correct is verlopen en dat verzoeker voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt toe te lichten. De korpschef heeft een ruime beoordelingsruimte bij het bepalen van betrouwbaarheid, waarbij hogere eisen gelden vanwege de aard van het beveiligingswerk.
De rechtbank stelt vast dat de strafbeschikking binnen de terugkijktermijn valt en dat mishandeling niet verenigbaar is met beveiligingswerkzaamheden. Ook het voorwaardelijk sepot weegt mee in de beoordeling. Omdat artikel 7, vierde lid, van de Wpbr een dwingendrechtelijke bepaling is, is geen ruimte voor belangenafweging. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.