ECLI:NL:RVS:2025:3721
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid
Bij besluit van 7 maart 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van een referent om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Dit besluit werd op 22 februari 2023 in bezwaar gehandhaafd en vervolgens op 28 augustus 2024 door de rechtbank Den Haag bevestigd.
Appellanten stelden in hoger beroep dat het niet vereist is dat een vreemdeling zonder referent niet zelfstandig kan functioneren om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar een eerdere uitspraak waarin dit is bevestigd, maar oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat tussen appellanten en referent geen bijkomende afhankelijkheid bestaat.
Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, mede omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak, waarbij de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.