ECLI:NL:RVS:2025:3275
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- C.C.W. Lange
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling familie- en gezinsleven bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM
Betrokkene, woonachtig in Iran, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland om bij zijn zoon, de referent, te verblijven. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en familierechtelijke relatie en het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid in de zin van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de minister een onjuist beoordelingskader hanteerde door de afhankelijkheid te beperken tot zelfstandige functioneren zonder referent en vernietigde het besluit op bezwaar. De rechtbank stelde dat de minister onvoldoende rekening hield met relevante omstandigheden zoals emotionele band, samenwoning en financiële steun.
In hoger beroep klaagde de minister over het beoordelingskader en de toetsing door de rechtbank. De Afdeling stelde vast dat de minister het beoordelingskader onjuist uitlegde door exclusieve afhankelijkheid te eisen, maar dat de minister haar standpunt over het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid wel degelijk deugdelijk had gemotiveerd in een individuele beoordeling.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, maar het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.