ECLI:NL:RVS:2025:3732

Raad van State

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
202504336/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Schipper-Spanninga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielzaak

Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 27 maart 2025 is afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die bij mondelinge uitspraak van 16 juli 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Dit betekent dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, die geheel toerekenbaar zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak is gedaan op 7 augustus 2025 en betreft een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, met toepassing van artikel 8:83, derde lid. De voorzieningenrechter motiveert zijn beslissing mede aan de hand van eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457).

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202504336/2/V2.
Datum uitspraak: 7 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 16 juli 2025 in zaak nr. NL25.15075 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij mondelinge uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025
987