ECLI:NL:RVS:2025:3810
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak wegens niet-betaling griffierecht
Verzoeker diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 27 augustus 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat op 17 maart 2025 door de minister ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, dat op 24 juni 2025 eveneens ongegrond werd verklaard.
Tegen deze uitspraak stelde verzoeker hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De griffier wees verzoeker bij brief van 23 juli 2025 op de verplichting tot betaling van griffierecht uiterlijk 30 juli 2025, met de waarschuwing dat het verzoek anders niet-ontvankelijk zou worden verklaard.
Verzoeker betaalde het griffierecht niet binnen de gestelde termijn, waarna de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaarde. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 13 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter C.M. Wissels.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.