ECLI:NL:RVS:2025:4
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 23 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 17 december 2024 gegrond, beval wijziging van de tenuitvoerlegging en kende schadevergoeding toe. Zowel de minister als de vreemdeling stelden hoger beroep in. De vreemdeling verzocht vervolgens de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening die de opheffing van de maatregel beoogde.
De voorzieningenrechter overwoog dat de rechtbank de minister had opgedragen de maatregel niet langer in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) uit te voeren vanwege strijd met artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, omdat het JCS niet langer als gespecialiseerde accommodatie geldt. De voorzieningenrechter verwees naar een eerdere uitspraak van 18 december 2024 waarin het belang van grensbewaking zwaarder woog en wees het verzoek af.
De voorzieningenrechter zag geen aanleiding om van dat oordeel af te wijken en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd openbaar gedaan op 2 januari 2025.
Uitkomst: Het verzoek van de vreemdeling om een voorlopige voorziening tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt afgewezen.