ECLI:NL:RVS:2025:4056

Raad van State

Datum uitspraak
25 augustus 2025
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Zaaknummer
202504575/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling door minister na afwijzing beroep rechtbank

Op 14 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam. De rechtbank heeft op 8 augustus 2025 het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze heeft op 25 augustus 2025 het hoger beroep behandeld en geconcludeerd dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank is overgenomen en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

De Afdeling ziet geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd in het openbaar gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van mr. M. den Heyer.

Uitkomst: De bewaring van appellant wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202504575/1/V3.
Datum uitspraak: 25 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 augustus 2025 in zaak nr. NL25.34783 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Dogan, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 2 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025
1058