ECLI:NL:RVS:2025:4066
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 15 mei 2023 werd afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 5 maart 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 mei 2025 het beroep eveneens ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, mede omdat een vergelijkbare rechtsvraag reeds op 9 juli 2025 was beantwoord in een eerdere uitspraak.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 25 augustus 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunningaanvraag bevestigd.