ECLI:NL:RVS:2025:3171
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- B. Meijer
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens ontbreken mvv-vereiste
Appellant heeft bij besluit van 2 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke is afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt dat het mvv-vereiste een wettelijke grondslag heeft in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en dat het beleid in paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dit artikel uitlegt. Het beroep op het verbod van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije faalt, omdat het mvv-vereiste een gerechtvaardigde beperking vormt die voldoet aan de criteria van een dwingende reden van algemeen belang.
De Afdeling stelt vast dat het effectief beheer van migratiestromen en het voorkomen van illegaal verblijf en illegale arbeid een dwingende reden van algemeen belang is voor het herinvoeren van het mvv-vereiste. Appellant heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die een vrijstelling rechtvaardigen. Ook de stelling dat het ontbreken van beleidsregels en werkinstructies tot onrechtvaardige afwijzingen leidt, wordt verworpen. De Afdeling concludeert dat het mvv-vereiste geschikt en noodzakelijk is en dat de afwijzing van appellant niet onevenredig bezwarend is. Het beroep op discriminatieverboden wordt eveneens verworpen. De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag wegens ontbreken van een geldige mvv blijft gehandhaafd.