ECLI:NL:RVS:2025:4089
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling klacht inzage politiegegevens en weigering verstrekking kopieën door korpschef
Appellant diende een inzageverzoek in bij de korpschef, dat gedeeltelijk werd toegewezen. Hij klaagde bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) over het niet verstrekken van kopieën van zijn dossier en het onleesbaar maken van namen van politieagenten, evenals het bewaren van oude stukken langer dan toegestaan. De AP wees de klacht af omdat geen formeel inzageverzoek was ingediend, maar trok dit besluit later in na nadere feitenkennis en hield een hoorzitting.
De AP constateerde dat oude politiegegevens inmiddels vernietigd waren en dat er geen grond was voor handhavend optreden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de korpschef niet verplicht is kopieën te verstrekken en dat het afschermen van namen van agenten gerechtvaardigd is.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij recht had op kopieën, ook van vernietigde gegevens, en dat agenten herkenbaar moeten zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Wpg geen verplichting tot kopieënverstrekking bevat, dat namen en nummers van agenten niet tot inzage behoren, en dat handhavend optreden niet nodig was omdat oude gegevens waren vernietigd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbeterde motivering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.