ECLI:NL:RVS:2025:4130
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Discretionaire bevoegdheid minister voor verblijfsvergunning niet ingeperkt door wijziging Vreemdelingenbesluit 2000
Deze zaak betreft de vraag of de discretionaire bevoegdheid van de minister, zoals neergelegd in artikel 14, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, is ingeperkt door een wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 uit 2019. Appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens schrijnende omstandigheden, waarbij hij ook een beroep deed op vrijstelling van leges. De minister stelde de aanvraag buiten behandeling omdat de leges niet waren betaald en meende geen discretionaire bevoegdheid meer te hebben om de vergunning toe te kennen.
De rechtbank had geoordeeld dat de discretionaire bevoegdheid was vervallen door de wijziging van het Vreemdelingenbesluit, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt dit oordeel. De Afdeling stelt vast dat de discretionaire bevoegdheid haar grondslag vindt in de wet (artikel 14, eerste lid, Vw 2000) en niet door lagere regelgeving kan worden ingeperkt. De wijziging van het Vb 2000 heeft de bevoegdheid niet beperkt, ook al is de uitvoering ervan deels gemandateerd aan de hoofddirecteur van de IND.
De Afdeling benadrukt dat de minister bij aanvragen wegens schrijnende omstandigheden tot een inhoudelijke beoordeling moet overgaan en een eventuele afwijzing deugdelijk moet motiveren. De uitspraak vernietigt het eerdere besluit en beveelt een nieuw besluit op bezwaar. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De minister beschikt nog over de discretionaire bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen en moet de aanvraag van appellant inhoudelijk beoordelen.