ECLI:NL:RVS:2025:4146
Raad van State
- Hoger beroep
- Den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant heeft bij besluit van 17 juni 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 25 september 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die op 22 april 2024 eveneens het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat appellant niet alle volgens bijlage 8aa behorende bij artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 vereiste stukken had overgelegd. Omdat appellant geen geldige reden gaf voor het niet overleggen van deze stukken, mocht de minister van horen afzien en de aanvraag afwijzen.
De Afdeling stelde vast dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, zodat het oordeel van de rechtbank bevestigd werd. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit, zonder dat de minister proceskosten hoefde te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens het ontbreken van vereiste stukken.